IMG 1982

welke invloeden hebben tot deze noodzaak geleid?

 Door René Delsink, pensioenadviseur Rink RFD en Rianne Schepers, advocaat Daniels Huisman N.V.

“Pensioen is iets voor later…., ik snap er niets van… volgens mij is dat goed geregeld…”

Pensioen, dat klopt, is iets voor later maar ook iets voor nu. Want als je er nu geen aandacht aan besteed is het voor later misschien niet goed geregeld. Dus zal je er eerst iets van moeten weten, maar hoef je geen pensioenexpert te worden.

Zelf plannen

Als je onafhankelijk wilt zijn van de ‘pensioenleeftijd’, de AOW leeftijd, dan is het verstandig zelf je pensioen te plannen. Alleen heeft het merendeel van de werknemers te maken met een verplicht gesteld pensioenfonds. Deze fondsen zijn opgericht om zekerheid te geven aan de werknemers dat er op pensioendatum, meestal, een gegarandeerd levenslang pensioen inkomen kan ingaan. Deze collectieve voorziening zorgt er echter ook voor dat de invloed van het individu niet noemenswaardig is en er van plannen van je pensioen weinig terecht zal kunnen komen. 

Het voordeel van pensioenfondsen is dat er voor alle werknemers die verplicht bij deze fondsen zijn aangesloten gezamenlijk wordt ‘gespaard’ door het betalen van premie door werknemers en werkgevers. De pensioengerechtigden, of te wel de mensen die met pensioen zijn, betalen geen premie meer maar ontvangen uit ‘de pot’ pensioen. Om te zorgen dat er voldoende geld is om de huidige en toekomstige pensioenuitkeringen te voldoen zijn er rekenregels opgesteld. Hierbij wordt op basis van een rendement op het gezamenlijk vermogen en alle te verwachten pensioenuitkeringen nu en in de toekomst bepaald hoe groot dit vermogen moet zijn. Daarnaast is bepaald dat er minimaal 125% van dit vermogen aanwezig moet zijn, om te spreken van een gezond pensioenfonds (ook wel dekkingsgraad genoemd). 

De invloed van de rente

In het verleden, toen de rente nog wat hoger was, werd het vermogen bepaald op basis van een te verwachten rendement van minimaal 4%. Nu de rente richting 0% schuift, kun je je voorstellen dat het vermogen , omdat dit veel minder hard groeit, aanzienlijk hoger moet zijn. 

De dekkingsraad van menig pensioenfonds is dan ook tot onder de 95% gedaald, ondanks dat het vermogen is toegenomen. Het gevolg hiervan is dat de pensioenuitkeringen niet aan het prijspeil mogen worden aangepast (prijsindexatie) en nog vervelender, dat de uitkeringen verlaagd mogen worden. Dat geldt zowel voor de mensen die reeds een pensioenuitkering ontvangen als ook voor de aanspraken, oftewel de toekomstige rechten, van werknemers. In de afgelopen jaren is dit bij veel pensioenfondsen al het geval geweest en zoals het er naar uitziet zal dat de komende tijd nog een aantal keer gebeuren. 

Niet alleen de pensioenfondsen

Ook (gewezen) werknemers die niet zijn aangesloten bij een fonds maar hun pensioenpotje hebben opgebouwd via een verzekeraar merken de gevolgen van de lage rente. In het kader van een zogenaamde beschikbare premieverzekering heeft de (gewezen) werknemer gedurende zijn werkbare dienstjaren een bepaald premiebedrag afgedragen aan de verzekeraar. Met deze ingelegde bedragen, waarmee gedurende de looptijd van de verzekering in bepaalde mate is belegd, dient op de pensioendatum een pensioenuitkering te worden aangekocht. En tja, als de rente op het moment van aankoop laag is, valt de hoogte van de pensioenuitkering ook laag uit. De zogenaamde pensioenknip, welke in 2009 tijdelijk is ingevoerd en de mogelijkheid bood om een pensioenuitkering

gespreid aan te kopen, bood helaas geen soelaas. Mede door de laag blijvende rente bleven pensioengerechtigden last houden van lage rendementen. 

Twintig procent van alle pensioenregelingen is geregeld via een verzekeraar. Dit betreffen met name middelloonregelingen en beschikbare premie regelingen. De eerste groep regelingen staat ook onder druk. Verzekeraars dienen een reserve van alle toekomstige verplichtingen aan te houden van 150%. Dat is meer dan de minimum eis voor pensioenfondsen van 125%. Deze verplichting wordt bepaald op basis van de geldende rekenrente. Doordat de rekenrente in de afgelopen decennia aanzienlijk is gedaald, is de premielast aanzienlijk gestegen. Ter vergelijk; in de jaren negentig van de vorige eeuw werd er met 6 a 7% gerekend terwijl nu ongeveer 0,5% wordt gehanteerd. Bij een verzekeraar werd er een contract afgesloten waarin de premie voor de pensioenregeling voor meerdere jaren vast werd gelegd. Doordat deze regelingen nu op basis van de veel lagere rekenrente opnieuw moeten worden overeengekomen, worden de bedrijven in sommige gevallen geconfronteerd met een premie stijging van 80 tot 100%. Oftewel, een verdubbeling van de premie voor een zelfde regeling. Dat is natuurlijk een onhoudbare situatie. Ga bij jezelf maar na, hoeveel zou je zelf meer gaan betalen voor een zelfde product of dienst? Als je het ene jaar voor een vakantie € 2.500 betaalt zou je het volgende jaar voor precies dezelfde vakantie € 5.000 betalen? 

Een hogere levensverwachting

Niet alleen de lage rentestand en dus de tegenvallende rendementen zorgden voor kritische tonen over ons huidige pensioenstelsel, ook de hogere levensverwachting bleek een obstakel te worden.

Het merendeel van de werknemers valt onder een al dan niet verplicht gesteld fonds. Op basis van de zogenaamde solidariteitsgedachte, betaalt elke werknemer eenzelfde premiebedrag. De door een werknemer betaalde premie wordt niet gereserveerd voor de betreffende werknemer zelf, maar wordt als het ware opgeslagen in één grote pot. Zodra een werknemer met pensioen gaat, krijgt hij vanuit deze pot uitgekeerd. Zolang de vergrijzing toeneemt en pensioengerechtigden dus steeds langer uit de pensioenpot uitgekeerd krijgen terwijl de groep pensioengerechtigden in verhouding ook nog eens harder groeit dan de groep werknemers, krimpt de pensioenpot. Aangezien statistieken uitwijzen dat we met z’n alles steeds ouder worden, moet er iets veranderen wil aan iedereen in de toekomst een oudedagsvoorziening gegarandeerd kunnen blijven worden. 

En heeft de burger zelf nog wat in te brengen?

Eerlijk is eerlijk, niet alleen crisissen, de laag blijvende rente, de vergrijzing en de stijgende levensverwachting hebben geleid tot het nadenken over verandering van ons huidige pensioenstelsel, ook de roep om inspraak vanuit de maatschappij kon niet langer genegeerd worden. Want waarom heeft een werknemer en/of pensioengerechtigde weinig tot niets te zeggen over bijvoorbeeld het beleggingsbeleid? Of een wijziging van de pensioenregeling? 

De noodzaak tot hervorming

Geconcludeerd kan worden dat het huidige pensioenstelsel leidt tot veel onvrede. Werknemers en pensioengerechtigden zien zich geconfronteerd met tegenvallende rendementen, het uitblijven van indexatie en in verdergaande gevallen met een korting. Van de werkgever wordt verlangd dat zij meer betaald voor eenzelfde product. De communicatie vanuit pensioenuitvoerders, maar ook de communicatie tussen uitvoerder en werkgever laat nogal eens te wensen over. Aan (ex) deelnemers zijn toezeggingen gedaan welke niet meer kunnen worden waargemaakt, bij (ex) deelnemers zijn onrealistische verwachtingen gewekt over de hoogte van hun pensioen dan wel de pensioengerechtigde (partner) heeft geen weet van pensioen dat op risicobasis- dan wel kapitaalbasis is opgebouwd.

Vervolg in ons vierluik

In de navolgende artikelen zal stilgestaan worden bij de voorgenomen én inmiddels doorgevoerde wijzigingen in de pensioenwereld. De (nieuwe) Pensioencommunicatiewet als ook de per 1 oktober 2016 in werking getreden Wet op de ondernemingsraden zal daarbij aan de orde komen. Wat verandert er en welke ‘versimpelingen’ zijn beoogd? Daarnaast zal ook de praktische kant nader worden belicht. Nieuwe wetgeving kan tot verbetering en versimpeling leiden, maar is elke werkgever / (ex) deelnemer bij een wijziging gebaat? Kan een werkgever zijn regeling ‘zomaar’ wijzigingen of kunnen werknemers rechten blijven ontlenen aan in het verleden gemaakte afspraken? En hoe zit dit met de ex-werknemer c.q. de pensioengerechtigde, waarbij de arbeidsrelatie tussen hen en de gewezen werkgever niet meer bestaat en er mitsdien sprake is van een uitgewerkte rechtsverhouding. Zijn al hun verworven rechten onaantastbaar geworden? In het laatste artikel zal tot slot worden teruggeblikt op de (beoogde) wijzigingen. Zijn ze doorgevoerd en zo ja, kan al geconcludeerd worden dat de wijzigingen bijdragen aan een meer overzichtelijk en beter uitlegbaar pensioenstelsel? 

Actueel 

DGA’s en ZZP’ers

Over pensioen valt veel te zeggen en te schrijven. Wij stellen vast dat ook de problematiek rondom het pensioen van de zzp’er en de pensioenregelingen van een directeur-grootaandeelhouder ten tijde van het schrijven van dit artikel onderwerpen zijn waarover veel wordt gespeculeerd en gediscussieerd. 

De zzp’ers krijgen aandacht omdat zij, ondanks dat pensioenuitvoerders meer inspelen op deze steeds groter wordende groep, weinig aandacht lijken te hebben voor hun financiële toekomst en de uitvoerders gericht op deze groep weinig deelnemers kennen. Vraag is of dit volledig valt toe te schrijven aan de zzp’er, dan wel de oorzaak wellicht ook gelegen is het in, ten opzichte van de werknemer, afwijkende fiscale regime voor de werknemer. 

De dga’s krijgen aandacht vanwege een nieuwe behandeling van de pensioenopbouw van deze bijzondere groep werknemers. Dit zou tot extra belastinginkomsten leiden. Veel dga’s hebben hun pensioengeld echter gestoken in inventaris, machines maar ook werkgelegenheid, met als gevolg dat zij niet in staat zijn om de door hen gespaarde pensioenpot vrij te maken en af te kopen. Hoewel de problematiek van de zzp’er en dga’er nauw samenhangt met de wijzigingsproblematiek, zullen wij aan deze groepen weinig tot geen aandacht besteden in onze navolgende artikelen.